Ze was wat je noemt een nuchtere Achterhoekse. Een vrouw van doe maar gewoon, dan ... precies, zo’n vrouw. Je kon altijd van haar op aan. Weinig woorden en veel daden.
Het was een mooie winterse middag. Fonkelende zonnestralen speelden een uitbundig spel van donker en licht tussen de laatste fel verkleurde herfstbladeren van de bomen op de begraafplaats.
Passie. Intense gedrevenheid. Liefde. Onophoudelijke werklust. Toewijding. Aandacht voor zijn buren. Dag en nacht klaar staan. Om negen uur naar bed. Om vijf uur weer op.
Alles was tot in de puntjes voorbereid en getest. Toch ging er van alles mis op de dag van de uitvaart. Het begon al bij de lift in het verzorgingstehuis.
Dat het gebeurt bij een relletje in een stad, bij een ongeluk op de snelweg of tijdens een grote, openbare happening, daar zijn we inmiddels, terecht of onterecht, aan gewend geraakt.
Het regende pijpenstelen toen hun oma op de begraafplaats naar het graf gedragen werd. De meeste mensen liepen onder een paraplu, maar de twee kleinzoons niet.
Terwijl de bomen in al hun goudgele en donkerrode kleurenpracht de blaadjes laten vallen, dwarrelen er ook allerlei gedachten in mijn hoofd; herinneringen aan uitvaarten die plaatsvonden in de herfst.